Integratie…..

een braille-leesregel

We maakten vandaag een mooi staaltje mee van integratie van een allochtone medelander in onze samenleving. Mijn man heeft gewerkt met groepen buitenlanders, die behalve dat ze vluchteling zijn, ook nog eens de pech hebben visueel gehandicapt te zijn. Vaak door oorlogshandelingen, soms ook door ziekten, die onder gunstiger omstandigheden wellicht behandelbaar zouden zijn geweest.Nu hadden ze minder geluk. Je moet je dus eens voorstellen: in een vreemd land aankomen, de taal niet machtig zijn en ook nog eens niks zien!

Mijn man heeft mede aan de wieg gestaan van een lesmethode, waarbij deze mensen de nederlandse taal leerden en gelijktijdig het brailleschrift. Dus “letter”lijk een taal leren. En dat werkt. Het merendeel van de cliënten was Afrikaan, kon elkaar nauwelijks verstaan vanwege het ongelooflijk aantal Arabische dialecten (daar zijn wij niks bij!) en was dus gedwongen zich in het nederlands met elkaar te onderhouden en dat werkte verbroederend. Zo hebben we hier trouwens ook Serven, Bosniërs en Kroaten hun op leven en dood ruzies doen vergeten destijds! De reguliere taalmethodes, NT2 (nederlands als tweede taal), waren voor visueel beperkte mensen onbruikbaar omdat er veel met plaatjes wordt gewerkt. Met conversatielessen werd de communicatie op gang gebracht. Mijn man heeft daar met veel plezier aan gewerkt.

Met sommigen van die mensen, die inmiddels een status en een huis hebben gekregen, hebben we nog wel contact. Omdat mijn ega ook een braille-leesregel gebruikt bij zijn computer, wordt hij nog wel eens geraadpleegd door oud-cliënten, die met de hunne problemen hebben. Vandaag waren we bij Menahi, een van oorsprong Irakese man en een volbloed moslim. Hij woont in een leuke flat en heeft na jaren zijn leven en zijn spullen aardig voor elkaar. Ook een computer met leesregel, die het even niet deed.

Nadat mijn man hem van alles had uitgelegd, slaakte hij een diepe zucht en zei: “Jézus! Dát is moeilijk, zeg!” En dat voor een moslim. Als dat geen integratie is……..


Archiefstukken

De post bracht net een grote envelop. En dat, terwijl er meestal op maandag helemaal geen post van belang wordt bezorgd, alleen wat flodderige reclamefoldertjes of zo. Die envelop kwam van mijn broer, die zijn huis aan ’t opruimen is. Zijn dochters zijn alle drie het huis uit en nu kwam het er eens van. Hoe het kan weet ik niet, de wegen van de Heer en die van de archieven van onze familie al helemaal, zijn ondoorgrondelijk, maar hij had bij die opruimactiviteiten twee schoolschriften gevonden van zijn oudste zuster, ik dus. Duits en handelsrekenen. Beide vakken waren niet mijn favorieten. In dat opzicht had ik liever gehad, dat hij een opstelschrift of iets anders van nederlands of een andere taal dan duits had gevonden, want daar was ik beter in en vond ik daarom ook leuker.

De schriften ruiken naar een gemeentearchief. Ze zijn ook bijna 50 jaar oud en er zit een etiket op van de Gebr.Winter, kantoorboekhandel te Amsterdam. Klas 3 staat er op en mijn meisjesnaam. Ik heet al meer dan 40 jaar anders. De mogelijkheid van behoud van eigen naam, wat ik tegenwoordig een goede zaak vind, was in mijn tijd nog niet en ik heb daar ook nooit bij stilgestaan. Je trouwde, veranderde van naam en werd gewoon een mevrouw.

Mijn ega en ik hebben het er wel eens over gehad of we, als het toen gewoon was geweest, eigenlijk wel getrouwd zouden zijn. Geld hadden we niet en ook geen ouders die wel eens even konden betalen, dus was samenwonen zonder bruiloft best voordelig geweest. Maar we hebben wel een trouwdag gehad, geen dure, de foto’s werden gemaakt door een vriend en mijn moeder zorgde voor een eenvoudige maaltijd en ’s avonds om 9 uur was iedereen naar huis. Een ontzettend gezellige dag, dat wel. En ach, onze kinderen hadden later keurige (en ook nog op tijd) getrouwde ouders en dat was ook wat waard.

Gôh, wat zo’n teken uit het verleden, waarvoor ik mijn broer dankbaar ben, dat hij het “historisch besef” had het aan mij op te sturen en niet bij het oud papier te mikken, teweeg brengt….Maar mijn broer is ook journalist, dus dat besef hoort ingebouwd te zijn!


Ook ik vraag me af….

was-verleden

“k Had niet gedacht, dat de “discussie” me zo bezig zou houden als die nu gedaan heeft. Ik was me van geen kwaad bewust en dat zal wel dom zijn. Dozig of zo. Ik vind het schrijven voor mijn log, of hoe ik het volgens de deskundigen zou moeten noemen, namelijk gewoon leuk. Dat er bezoekers zijn, die met me mee lezen vind ik natuurlijk óók leuk. Daar zal ik het, nou, wat zal ik zeggen?…voor zo’n 60 % zeker, allemaal voor doen. Anders was ik wel bij mijn wc-schriftje gebleven (zie 24 september 2001). Maar of ik de gewenste kwaliteit lever?

Ik heb levenservaring, daardoor veel herinneringen, die jongere mensen niet hebben en dat vind ik best jammer voor ze. Zij leven in een tijd, die andere kwaliteiten heeft, ook voor mij, en eigenlijk ben ik dus dubbel gezegend! Ik herinner mij de wasdag van mijn moeder, die een wasdág was, die de hele week doorsukkelde, omdat het allemaal droog moest en gestreken, omdat er geen synthetische garens waren. Wat zou ze hebben genoten van een volautomatische wasmachine! Vooral omdat ze lichamelijk al op vrij jonge leeftijd niet zo best in elkaar zat, door een hard leven in haar kindertijd.

Mijn vader, die het áltijd koud had, behalve, vreemd genoeg, zijn handen, die ik mij herinner als kacheltjes, wanneer ík het koud had. Wat zou hij een centrale verwarming héérlijk gevonden hebben! Dat gesleep met aanmaakhoutjes en kolenkitten, nu onvoorstelbaar, wat je allemaal moest doen om een huis warm te krijgen.

Dit soort herinneringen hebben veel mensen niet, waardoor ze wellicht minder beseffen in wat voor gezegende tijd we nu leven wat dat betreft. Met het gemak van een auto. Oké, er zijn files, maar dat calculeer je maar in, zittend op je krent. Een communicatie, die je in seconden aan het andere eind van de wereld laat zijn. Allemaal heel gewoon voor de generaties, die nu leven en dat is goed, zo hoort het ook. Maar laat mij dan zo nu en dan eens wat vertellen over hoe het wás.

Ik ben deze week weer eens begonnen in het boek van Geert Mak, “De eeuw van mijn vader”. Dat zou verplichte lectuur moeten zijn op scholen. Die eeuw was ook de eeuw van mijn vader én van mij voor een groot deel, maar ook van iedereen, die een discussie nodig vond over wie er mocht loggen en wie niet.


Buurpraatje

buurmannen

In de winter zie je je buren soms tijden niet. Hoogstens als je gelijktijdig wat afval naar de container brengt of als je toevallig tegelijk aankomt met je auto. Het gesprek beperkt zich dan meestal tot vragen naar elkanders welzijn en een opmerking over het weer. Zo van: “’t Is frisjes, hè? Ja, de dagen worden alweer langer, maar wie weet wat er nog komt aan kou!” Enzovoort. Wereldvraagstukken komen meestal niet aan de orde, daar is het te koud voor en je wilt wel graag naar binnen.Bovendien staat soms de deur open en je stookt niet voor de kat z’n viool.

Maar vanmiddag trof ik zomaar twee buurmannen tegelijk! Daar moet ik toch even verslag van doen.

Buurman H.: ” Hebben jullie ook last van vocht in de muur?” Buurman T. en ik:”Nee, hoor.” Buurman H.: “En het tocht ook bij mij!” Buurman T.: “Dan moet je eens kijken waar dat vandaan komt, met een brandende kaars bijvoorbeeld. Kun je zien welke kant ’t opwappert.” Buurman H.: “Ja, da’s wel ’n goed idee.” Buurman T.: “Steek de boel niet in de hens, hè!” Buurman H.: “Oké, maar hebben jullie ook last van muizen?” Buurman T. en ik samen: “Múizen?!” Buurman H.:”Ja, ik hoor trippel, trippel op zolder!” Buurman T.:”Dat zijn vogels onder de dakgoot, die hoor ik ook, maar die doen trip, trip!” Buurman H.:”Nou, maar ik hoor toch duidelijk trippel, trippel!” Buurman T.:”Als ik in de schuur ben en er zitten daar vogels op het dak dan hoor ik ook trip, trip.” Buurman H.:”Ik hoor écht trippel, trippel….” Hij maakt er met wijs- en midelvinger een “loop-“beweging bij.

Ineens kijkt hij ons aan en brult: “Wat ís dit voor gesprek? Ik ga naar húis!” Ja, het is echt lachen, hoor, met mijn buurmannen! Zo komen we de winter wel door met van die intelligente gesprekken!


Vogeltjesdans

de uil van Harry....?

Ze zeggen, dat januari een saaie maand is en misschien is dat ook wel een beetje zo. Omdat er in de tuin nog niet zo heel veel te beleven is, qua planten dan, want op de vogels kijk je je ogen uit! Zo spectaculair als die sneeuwuil in Limburg is het hier in de tuin allemaal niet, maar we beleven veel plezier aan de doodgewone heggenmussen. Die wonen met z’n naar schatting veertigen in onze heel brede heg. Het is net een flat, bewoond van onder tot boven. Het is een heel lawaai wanneer ze “in gesprek” zijn met z’n allen. Het lijkt wel een burenruzie, dat is wel eens vaker in een dichtbevolkte flat. Als we er langslopen om even naar de schuur te gaan, valt het gekwetter stil om verder te gaan als we de deur weer achter ons gesloten hebben.

Behalve deze permanente bewoners van onze tuin, komen er heel wat vogels buurten: roodbostjes, koolmezen, ’n vlaamse gaai, merels en tortelduiven. Ook vliegen er heel wat meeuwen rond, vooral als het koud is. Die zullen wel van het IJsselmeer komen, of zijn er ook stadsmeeuwen? Ik vind dat indrukwekkende vogels, hartstikke brutaal, maar met een prachtig vliegpatroon.

Ik heb voor m’n verjaardag, in november, een vogelvoederhuis gekregen, dat we midden op het terras hebben gezet, zodat de McFly goed te bereiken was voor de vogeltjes. Er wordt goed gebruik van gemaakt en zo komen samen we die saaie maand wel door.

Ze hoeven zich bovendien geen zorgen meer te maken over de aanwezigheid van een kat en dat vinden zij niet erg. Ik nog steeds wel, sinds deze zomer.


Bescheidenheid is een deugd.

Daar gáán we weer! In Nederland is de overgang naar de euro het prachtigst verlopen. Van heel Europa. Ik word zeer kriebelig van zulke berichten. Waar hebben we het over, ’t is geen kunst. We zijn ook het land, dat zo klein is, dat je sowieso al op elkaars lip zit. De infrastructuur zit zo vol, dat je het geldwisselen via de autoraampjes zou kunnen regelen. En een eventueel tekort aan het een of ander kan in één nachtelijke rit worden opgelost.

En Kok kan rustig z’n minister-presidentschap afmaken zonder dat ie er ook nog eens een bijbaantje aan vast hoeft te knopen als minister van economische zaken, waar hij trouwens nog ervaring mee zou hebben ook. Zo georganiseerd zijn wij.

Dat de Grieken, die toch een beetje een imago hebben, dat past bij hun weertype (in de zomer dan, nu moet je er even niet wezen!) het na ons als tweede het best doen, vind ik leuk voor ze. Goed voor de recreatieve sector, je gaat er dan toch rustiger heen met je hollandse euro’s. Je moet nog maar afwachten of je van de zomer in Italië niet tóch lires bij je moet hebben!

Ik zag gisteravond op de televisie die eeuwige negatieveling Maarten van Rossem. Die vond, dat de euro als nieuws-item nou maar es moest verdwijnen. Ik vind de man verder een zeur, maar van mij mag het ook. En dan vooral die borstklopperij in Nederland. ‘k Vind die van Merel veel leuker! Há!


Even rustig

koutje

Het was de laatste dagen een beetje een ziekenboeg hier. Gesnuif en gesnotter, gehoest en gerochel, waterige oogjes en wat er nog meer bijkomt als je flink verkouden bent. De één was wat krakkemikkiger dan de ander, maar al met al waren we te goed om naar bed te gaan en te slecht om es stevig aan de gang te gaan met iets.

Het “ontkerstenen” van het huis was dus een aardige bezigheid. De kerstboom weer ontdoen van z’n versieringen met het tempo van drie ballen per uur, een rustig muziekje op de achtergrond en de kamer lekker warm op suddertemperatuur. Het laatste dat echter de boom uit moest waren de lampjes. Een klotenwerk om ze er aardig verdeeld ín te krijgen, maar evenzo een klotenwerk om ze er goed weer uit te krijgen.

Ze hebben gewonnen, het is 1 – 0 voor de lampjes. Elk jaar weer probeer ik ze netjes op te rollen, zodat ze bij de volgende gelegenheid probleemloos hergebruikt kunnen worden. Dat is dit jaar dus niet gelukt. Ze zitten op een kluit in een plastic tas en dat kan me toevallig even helemaal niks schelen. In december ben ik wel weer vervuld van kerstgedachten en gezegend met engelengeduld, zullen we hopen. Nu dus even niet.

We hebben trouwens het ergste wel weer gehad, denken we. Het voordeel van niet zo alert bezig zijn met het leven buiten de deur is, dat we helemaal niet in de rij hebben gehoeven om euro’s te bemachtigen. Veel boodschappen hebben we niet gedaan en wát we hebben gehaald is gepind. Zo nu en dan rammelen we even met het kitje van Zalm, horen we er toch nog een beetje bij en verder komt het allemaal wel. Rustig, hoor, zo even uit de roulatie!

Maar in de tuin zag ik al groene sprietjes van de sneeuwklokjes. Laten ze maar heel rustig aan doen, anders worden ze nog verkouden!


Al wat wenselijk is….

Dat zeiden de mensen vroeger tegen elkaar, terwijl ze mekaar plechtig de hand reikten in het nieuwe jaar. Ze keken er ernstig bij, want toen vloog de tijd nog niet en een nieuw jaar was een hele lange tijd met nadrukkelijk wisselende seizoenen. Nu is het soms lente in de herfst en andersom. Hoewel het nu met die sneeuw buiten aardig klopt!

Maar wat is “wenselijk”? Wat voor de één in hoge mate wenselijk is, kan een ander maar beter niet overkomen. ’t Is een perfecte uitdrukking eigenlijk. Doorhalen, wat niet verlangd wordt! Ik zeg dus op deze tweede januaridag tegen iedereen: “ik wens je ál wat wenselijk is!”. Kun je het verder zelf uitzoeken.


Oliebakken bollen……

Zo noemden onze kinderen de activiteiten die ik destijds op oudejaarsdag noodzakelijk vond. Eerst was het “krompraterij”, maar de uitdrukking is er door de jaren heen in gebleven, ook toen ze al beter wisten. Ik heb het altijd wel leuk werk gevonden en al werden de oliebollen niet altijd zoals ik wou, te eten zijn ze altijd geweest. De vorm verschilde van jaar tot jaar, want ik had last van vreemde uitlopers, ondanks gebruik van ijslepels, gewone lepels, opvangmechanieken enzovoort, kunstzinnig gezien was het wel wat, maar daar waren de baksels helaas niet voor bedoeld. Appelflappen vond ik makkelijker, want door de “rondheid”van de goudreinetringen werden die altijd wel aardig van vorm. Nou ja, niemand hoeft meer te vrezen, want ik bak ze niet meer. Er zijn genoeg adresjes waar ze het beter kunnen en voor de voordeligheid hoef je het ook niet meer te doen.

Bovendien ben ik niet goed in hoeveelheden schatten. Ik bak er altijd veel te veel, hou dan over, denk ze in de diepvries te kunnen bewaren, vergeet ze vervolgens en zo gaan ze in april alsnog te container in. Want hoe haal je het in je hoofd, ma: oliebollen in april en nu niet meer te vréten ook! Nee, ik ben erg blij, dat ik niet meer hoef, want lees er Whiskas maar op na: het is een heel karwei als je het goed wilt doen, zoals haar moeder dus.

We hadden vroeger een buurman, die de oliebollen bakte met oudjaar en dat deed ie in de schuur, want dan had zijn vrouw geen olieluchten in huis. Hij liep dan met zijn blote bast gehuld in een stofjas en een pet op ( hij werkte bij de PTT) heen en weer tussen huis en schuur. Hij had een grote familie dus er moesten heel wat oliebollen komen, een megaklus. Zijn vrouw liet het met liefde aan hem over! Respect had ik voor die man en hij zag het als iets, dat eigenlijk hij alleen maar goed kon en in die gedachte werd hij zeer gesteund door zijn familie.

Ik ben dus geen oliebollenbakker, hoogstens een oliebakkenboller en die moeten er ook zijn. Gezellige avond allemaal!


Knálfeest!

Achter een raam vandaan vind ik vuurwerk wel aardig, maar ik hoef er niet met m’n neus bovenop. Ook letterlijk niet, want ik ben niet zo gek op die kruitdampen. Het ligt wel aan het weer hoe (lang) die blijven hangen, maar we hebben wel eens jaren gehad, dat we niet meer wisten of we nog overburen hadden. Mijn oren houden ook niet zo van vuurwerk, helemaal met die weet-ik-veel-hoeveel-klappers, die ze tegenwoordig hebben.

Toen mijn zoons nog zoontjes waren kochten ze graag van die klapdingen waarvan er vele aan elkaar zaten. Die haalden ze dan uit elkaar en lieten ze één voor één ontploffen. Nou ja, ontploffen was het woord niet, want het stelde qua plof dan al niet veel meer voor natuurlijk. Het waren zuinige jongetjes: zo had je erg lang plezier van je aankoop. Zo lang, dat ze tot ver in de nacht bezig waren de staafjes tot ontbranding te brengen. Het was een nachttaak. Zuinigheid met vlijt. Overal van dat rottige rooie papier, en een zucht van verlichting bij iedereen als het karwei geklaard was. Blauw van de kou weer naar binnen. Was vuurwerk nou wel zo leuk? Nee, ware freaks zijn het niet geworden!

Toen we vanmorgen boodschappen gingen doen, stonden ze er weer, de rijen mensen (meest mannen en jongens!) bij de vuurwerkwinkel, die onze supermarkt eens per jaar aan de parkeerplaatskant van het winkelcentrum inricht. Wat zou die fascinatie toch zijn? Oorlogje spelen of zo? Zal wel in dezelfde categorie vallen als barbecuen en openhaardstoken. Mánnenwerk. Hoewel het nog niet mag, klinken er in de buurt al de nodige knallen.

We kennen mensen met geleidehonden, die deze dagen de deur nauwelijks uitkunnen. De honden worden er wel op getraind om niet direct van slag te raken bij lawaai, maar een afgestoken rotje met daarbij de akoestiek van een station of winkelcentrum, daar valt niet op te trainen. Nou ja, straks zijn de miljoenen weer omgezet in kruitdamp en wordt het vanzelf weer rustig. Hoewel rustig….er zijn plekken waar ze gewoon doorgaan met die kruitdamp.